Spirituele Wedergeboorte

Gnosis voert tot wedergeboorte. Niet tot wedergeboorte met een nieuwe naam en vorm, een nieuwe levensopenbaring, maar tot spirituele wedegeboorte. Die vindt plaats uit ‘water’ en ‘geest’. Water, Levend water, Gnosis, Geest, Levende geest, Universele geest. Geest van liefde en wijsheid. De wedergeboren mens weet dat het ‘koninkrijk’ niet in de hemel is, want dan zouden de vogels hem voor zijn. Het is ook niet in de zee, want dan zouden de vissen hem voor zijn (zie logion 3 van het Evangelie van Thomas). Het ‘koninkrijk’ is een staat van ‘keuzeloos gewaarzijn’ (term van Krishnamurti). Binnen en buiten, hoog en laag bestaan niet in dit universele bewustzijn. Nergens is een centrum te vinden. Alles is zelfloos en daarom in absolute vrede. Kenner, kennis en gekende vallen samen.

In logion 22 van het Evangelie van Thomas zegt Jezus: "Als ge van twee één zult maken en het binnenste als het buitenste en het buitenste als het binnenste en het bovenste als het onderste en als ge het mannelijke en het vrouwelijke tot één maakt opdat het mannelijke niet mannelijk blijve en het vrouwelijke niet vrouwelijk,(…) dan zult gij het Rijk binnengaan."

De wedergeboren mens heeft geen ‘steen’ om zijn hoofd op neer te leggen. Er is geen dogma, opinie, oordeel, godsdienst meer in zijn geest. Nergens hecht hij zich meer aan. Er is geen vaste plek voor hem. Al hebben de vossen holen en de vogels nesten, hij woont nergens meer, omdat hij verankerd is in het Zelf en het Zelf alom aanwezig is. Niets is meer voor hemzelf of van hemzelf. Alles behoort het Zelf toe. De volstrekte thuisloosheid , die tegelijkertijd opperste vrede is, drukt Jezus zo prachtig uit in de apocriefe tekst van de Handelingen van Johannes:

"Ik heb geen huis en ik heb huizen. Amen.

Ik heb geen plaats en ik heb plaatsen. Amen.

Een tempel heb ik niet en ik heb tempels. Amen."

Spirituele wedergeboorte is een lang en moeizaam proces, waarbij de mens zich dankzij de gnosis ontdoet van alle waan en illusie. Het is de grootste revolutie in de mens, waarbij alle uiterlijke revoluties verbleken. ‘Al zouden we duizenden vijanden in een veldslag verslaan, maar niet onszelf, dan is er geen enkele overwinning behaald’, leerde reeds de Boeddha.

En de gnostische leraar Sylvanus onderrichtte:

"Maak een eind aan alle kinderlijkheden en verwerf voor jezelf kracht van bewustzijn en ziel, en bind de strijd aan met iedere verdwazing van (je) zinnelijke hartstochten, alsook met gemene hatelijkheid, eerzucht, twistziekte, ergerlijke jaloersheid en wraakzucht, woede en hebzucht. Bewaak jullie kamp met wapens en speren. Bewapen jezelf met al je soldaten, die de woorden zijn, en je aanvoerders, die de raadgevers zijn, en (neem) je bewustzijn tot innerlijke gids."

De spirituele wedergeboorte snijdt voorgoed de navelstreng van naam en vorm door en beëindigt de cyclus van levens. De gnosticus is in staat om door zijn inzicht ‘stenen tot brood’ te maken, anders gezegd: veruiterlijkte kennis tot geestelijke spijs te maken, waardoor hij met zijn metgezellen op het pad als in een wonderbaarlijke spijsvermenigvuldiging steeds meer schenkt uit slechts weinig. De gnosticus wordt niet meer dronken van de wijn der wereld. Hij treedt uit de levensstroom van begeerte en onwetendheid en treedt in de stroom van wijsheid en vrijheid. Hij gaat tegen de stroom der gewoonte in, op zoek naar de bronloze bron. Hij is in de ware zin des woords een ‘voorbijganger’ (zie logion 42 uit het Evangelie van Thomas). De voorbijganger weet dat de wereld voorbijgaat. En hij weet dat hijzelf voorbijgaat. Wat blijft is het Zelf. Aan niets en niemand kan hij zich meer hechten. Daardoor bloeien in zijn hart werkelijke liefde en mededogen op voor al wat leeft.

Wanneer is de mens rijp voor de spirituele wedergeboorte?

Ten eerste: als hij zich de ‘kennis des harten’ eigen maakt. Als hij niets en niemand meer wil zijn, hoewel hij zijn taak in het leven vervullen zal overeenkomstig zijn talenten en mogelijkheden. Hij ziet af van eer en roem en weet dat het de Vader-Moeder is die in hem handelt, de ongrondelijkheid van het bestaan zelf. Hij herkent in het ‘niets en niemand zijn’ het ware geluk van alles te zijn.

Ten tweede: als hij voorgoed gezien heeft dat al hetgeen naam en vorm heeft, gedoemd is te verschijnen en te verdwijnen. Dat Chronos, de tijd, al zijn kinderen opeet, behalve het kind van het licht, Zeus. Hij weet: ‘er is licht binnen een lichtend wezen’  (logion 24 van het Evangelie van Thomas). Hij weet dat niets blijft bestaan in de wereld van naam en vorm. De machtige paleizen, grote culturen, bloeiende godsdiensten, schone kunsten, planeten en zonnen, sterrenstelsels en universa verschijnen en verdwijnen. Dat de maalstroom van de tijd al hetgeen naam en vorm heeft transformeert in een niet eindigend spel van beweging. Dat alle werelden, stoffelijk, etherisch, astraal, mentaal, hetzelfde lot ondergaan. Dat hemelen en hellen, zelfs de hoogste hemelen der goden, allemaal vergankelijke toestanden zijn en illusie in stand houden zolang we daarnaar streven, wat reeds de Boeddha onderrichtte. Hij heeft geen belangstelling meer voor een andere wereld, etherisch of astraal. Hij ziet ze als vergankelijk en niet bevrijdend. Omdat ze boeiend zijn weet hij ook dat ze ‘boeien’. Als een Arjuna uit de Bhagavad Gita keert hij zich voorgoed af van de ‘drie werelden’, van alle werelden van naam en vorm, op zoek naar verankering in het Ene, het Zelf.

Ten derde: als hij de angel van alle lijden volkomen doorschouwd heeft en weet dat de keten van geboorte, ziekte, lijden en dood veroorzaakt wordt door gebrek aan ware kennis, gnosis. Als hij weet dat gnosis dit wentelende rad tot stilstand kan brengen. Dat uit onwetendheid begeerte wordt geboren. Dat uit begeerte ziekte en lijden voortkomen. Dat op ziekte en lijden de dood volgt. Dat op de dood een nieuwe geboorte in naam en vorm volgt. Dat het rad van geboorte, ziekte, lijden en dood maar blijft wemelen totdat de penwortel van onwetendheid en begeerte wordt uitgerukt. Zo’n mens kan men in de ware zin des woords een ‘gnosticus’ noemen, ‘hij die (ware) kennis heeft’.  Door ware kennis, gnosis wordt het stil in hem. Stil in zijn hoofd. Stil in zijn hart. Stil in zijn handen. Hij wordt een vreemdeling in deze wereld en een vriend van God. Een bogomiel; een godsvriend; een kathaar; een zuivere naar hoofd, hart en handen. Dan gaat hij over tot de daad en wordt dienstbaar aan mens en wereld. Theorie en praktijk zijn één voor hem.

Uit: Gnosis, de kennis van het hart / Marcel Messing