Plato - Mythe van de grot

14-03-2017 00:00

- Goed, zei ik, dan moet ge nu eens gaan kijken naar de manier waarop wij zijn opgevoed. Stel u gevangenen voor die in een onderaards verblijf leven, een grot bijvoorbeeld. De toegang tot de open lucht wordt gevormd door een opening die even breed is als de grot zelf. Die mensen zijn nog nooit buiten de grot geweest. Ze kunnen benen en hals niet bewegen omdat die vastgeklemd zijn, en ze kunnen alleen voor zich uit kijken. Achter hun rug is een lichtbron: het is een vuur dat hoog boven hen brandt. Tussen dat vuur en de gevangenen loopt een weg die ook hoog is gelegen, met een borstwering die dient als het schot dat bij het poppenspel wordt gebruikt om de poppenspelers aan het gezicht te onttrekken.

- Dat zie ik voor me, zei hij.

- Achter die borstwering lopen mensen, die allerlei voorwerpen, zoals stenen en houten beelden van mensen en dieren, boven de borstwering uittillen. Sommigen spreken daarbij en anderen niet.

- Een vreemde situatie, zei hij, en die gevangenen zijn ook zo vreemd.

- O, maar die zijn niet anders dan wij, zei ik. Wat kunnen ze anders zien van zichzelf en van hun medegevangenen dan de schaduwen die door het vuur op de wand van de grot worden geprojecteerd?

- Niets, zei hij, want ze kunnen hun hoofd niet draaien.

- En van de dingen die achter hen langs worden gedragen zien ze ook niet meer dan de schaduw, nietwaar?

- Dat is zo.

- Stel nu dat ze met elkaar zouden spreken. Dan zouden ze het hebben over wat ze voor zich zien, en dat zouden ze voor de werkelijkheid houden.

- Inderdaad.

- En als in de gevangenis de echo weerklinkt van wat de voorbijgangers zeggen, waarbij het geluid door de wand wordt teruggekaatst, zouden ze dan niet denken dat het de schaduwen zijn die spreken?

- Waarachtig, dat is zo, zei hij.

- Dan houden de gevangenen deze schaduwen steeds voor de dingen zelf, zei ik.

- Dat kan niet anders, zei hij.

- Nu worden ze op de een of andere manier bevrijd uit de boeien die hen afhouden van de werkelijkheid, ging ik voort. Eén van hen wordt gedwongen om op te staan, het hoofd te draaien en ineens in het licht te kijken. Dat doet pijn aan zijn ogen, en verblind als hij is, kan hij nog steeds de dingen niet zien waarvan hij voor die tijd slechts de schaduwen zag. Wat zal hij zeggen, denkt ge, als men hem dan vertelt dat hij vroeger schimmen zag en nu dichter bij de werkelijkheid is komen te staan en beter kan zien wat zich in werkelijkheid afspeelt? Wat is zijn antwoord als men hem ieder ding dat voorbij wordt gedragen aanwijst en hem vraagt te zeggen wat het is? Hij zal het niet weten en meer geloof hechten aan wat hij voor die tijd zag.

- Dat is wel zeker, zei hij.

- Het zal pijn doen aan zijn ogen als hij gedwongen wordt naar het licht zelf te kijken, dus zal hij zich weer omdraaien en zijn toevlucht zoeken bij de dingen die hij wel kan zien en waarvan hij gelooft dat ze duidelijker te onderscheiden zijn dan de voorwerpen die hem worden aangewezen.

- Ja zeker, zei hij.

- Als iemand hem met geweld omhoog voert langs die weg, die steil is en moeilijk begaanbaar, en hem niet loslaat voordat hij buiten de grot staat, in het volle licht van de zon, zal hij dan dat zonlicht niet als pijnlijk ervaren? Hij zal zich geen raad weten. Als hij eenmaal in het licht is gekomen en als zijn ogen worden verblind door het zonlicht, zal hij dan ook maar iets kunnen onderscheiden van wat de werkelijkheid wordt genoemd?

- Dat denk ik niet, zei hij, tenminste niet onmiddellijk.

- Ik denk dat hij zal moeten wennen. In het begin zal hij eerst de schaduwen kunnen onderscheiden, dan de weerspiegelingen van de dingen in het water, en pas later de dingen zelf. Als hij dan in een later stadium de verschijnselen in de hemel en de hemel zelf wil waarnemen, kan hij dat het beste ’s nachts doen, bij het licht van de sterren en van de maan. De dingen in het licht van de zon en de zon zelf kan hij echter nog niet goed zien.

- Natuurlijk.

- Tenslotte kan hij, denk ik, naar de zon zelf kijken en haar ware gedaante aanschouwen. Dan kijkt hij niet naar de weerspiegelingen ervan in het water of andere oppervlakken, maar naar de zon zelf in haar eigen licht en op haar eigen plaats.

- Zeker.

- Dan zal hij de conclusie trekken dat het de zon is die de seizoenen en de kringloop van de jaren veroorzaakt en alle dingen in de zichtbare wereld bestuurt, en dat de zon in zekere zin ook de oorzaak is van al de dingen die hij en zijn medegevangenen daarbinnen in de grot zagen.

- Zeker, zei hij, dat kan hij pas begrijpen als hij de zon heeft gezien.

- En wat denkt ge? Als hij zich zijn vroegere verblijfplaats herinnert, en wat daar voor wijsheid doorgaat, en zijn medegevangenen van destijds, zal hij zich dan niet gelukkig prijzen met de verandering en medelijden hebben met zijn makkers in de grot?

- Zeker, zei hij.

- Stel nu eens voor dat die elkaar overladen met eerbewijzen en loftuitingen, en dat ze geschenken geven aan degene die het snelst ziet welke schaduw er nu weer voorbijtrekt, of die zich het best kan herinneren in welke volgorde en in welk verband de dingen zich herhalen, zodat hij het best kan zien wat er gaat gebeuren. Denkt ge dan dat iemand die aan de grot is ontsnapt, uit is op hun eerbetoon en dat hij degenen die bij de gevangenen in aanzien staan en op de voorgrond treden, benijdt? Zou hij niet met Homeros veel liever hier op aarde willen leven ‘als dienstknecht van een arm man’ en alles liever verdragen dan er de overtuigingen op na te houden die de gevangenen erop nahouden, en zo te moeten leven als zij?

- Alles liever dan dat, zei hij.

- Stelt u zich nu eens voor, zei ik, dat zo iemand weer zou afdalen en op dezelfde plaats ging zitten als voorheen. Zouden zijn ogen niet verduisterd worden als hij zo plotseling in het donker komt?

- Reken maar, zei hij.

- Als hij weer moest wedijveren in het herkennen van de schaduwen met degenen die steeds vastgebonden bleven, terwijl zijn zicht nog zwak is omdat zijn ogen nog moeten wennen aan de duisternis - en dat zou wel eens een hele tijd kunnen duren - zou hij dan niet worden uitgelachen door de grotbewoners, en zouden ze niet zeggen dat hij van zijn uitstapje naar boven met verknoeide ogen is teruggekomen? Daaruit zouden ze opmaken dat het niet de moeite loont om zelfs maar te proberen naar boven te gaan. Als iemand hen dan probeert los te maken en naar boven te brengen, zouden ze hem dan niet ombrengen als hij in hun handen valt?

- Vast en zeker, antwoordde hij.

- Deze gelijkenis, beste Glaukoon, zei ik, kan in zijn geheel worden toegepast op wat we hiervoor hebben gezegd. De zichtbare wereld is te vergelijken met een gevangenis waarin wij wonen, en het licht van het vuur dat daarbinnen schijnt met het zonlicht. En als ge de tocht naar omhoog uit de grot en het aanschouwen van alles wat daarboven is, ziet als het opstijgen van de mens naar het gebied van het zuivere weten, zult ge de kern van mijn betoog niet missen. Dat is toch wat ge hoopte te horen? Maar of het allemaal waar is, dat weet God alleen. Hoe het ook zij, in mijn voorstelling ziet het er zo uit dat het uiterste dat in het gebied van het kenbare gezien kan worden - en dan nog maar nauwelijks - het principe van het 'Goede' is. Als dat eenmaal gekend is, moet de conclusie worden getrokken dat juist dat principe de oorzaak is van al wat waar en schoon is, en dat geldt in iedere omstandigheid. In de zichtbare wereld brengt het goede het licht voort en de kracht daarvan, en in het gebied van het zuivere weten brengt de kracht van het goede waarheid en rede voort. Dan moet wel worden erkend dat iemand die wijsheid in praktijk wil brengen in het persoonlijke leven of in het leven van de gemeenschap, dat goede moet leren kennen.

- Daar ben ik het mee eens, zei hij, tenminste voorzover ik het kan volgen.

- Vooruit, zei ik, blijf mijn gedachtengang dan volgen en verbaast u zich er niet over dat degenen die die hoogte hebben bereikt zich niet meer willen bezighouden met het gedoe van de mensen. Nee, zij worden steeds voortgedreven door een verlangen naar het verblijf daarboven. Dat is toch te verwachten, als de vergelijking met het beeld dat we geschetst hebben tenminste opgaat.

- Dat is zeker zo, beaamde hij.

- En wat denkt ge, vroeg ik, zoudt ge het niet vreemd vinden als iemand die van het goddelijke schouwen terugkeert naar de menselijke beslommeringen, zich onbeholpen gedraagt en in hoge mate de lachlust opwekt? Dat moet toch wel gebeuren als hij, nog verblind door het licht en onvoldoende gewend aan het omringende duister, gedwongen wordt in de rechtszaal of ergens anders te spreken over de schaduwen van de gerechtigheid of over de beelden die die schaduwen veroorzaken, en met de mensen die de gerechtigheid zelf nog nooit hebben gezien een woordenstrijd moet voeren over wat zij onder gerechtigheid verstaan?

- Dat zou me niet verbazen, antwoordde hij.

- Maar wie zijn verstand gebruikt, zei ik, zal zich herinneren dat de ogen op twee manieren kunnen worden verblind: als ze uit het licht in het duister komen, en als ze van het duister in het licht komen. Omdat het voor de hand ligt dat dit voor de rede ook geldt, zal een redelijk mens niet zomaar in de lach schieten als hij een mens ziet die verward is en niet bij machte is iets te onderscheiden. Hij zal daarentegen kijken of die mens verblind is door omstandigheden waar hij niet aan gewend is omdat hij uit een helderder wereld komt, of omdat hij, gekomen uit een relatief duistere onwetendheid naar een helderder sfeer, verblind wordt door een overvloed aan schittering. Hij zal de een gelukkig prijzen om zijn ervaring en zijn levensomstandigheden, en medelijden hebben met de ander, en als hij al zou willen lachen, dan eerder om degene die van de duisternis in het licht komt, dan om wie van boven uit het licht in de duisternis komt.

- Dat hebt ge heel goed gezegd, zei hij.

- Daaruit kunnen we opmaken dat sommige mensen er een verkeerde opvatting over opvoeding op nahouden. Ze zeggen dat er kennis in de mens geplant moet worden die hij voordien niet bezat. Zij denken dat je blinde ogen weer ziend kunt maken.

- Dat is een gangbare opvatting, zei hij.

- Onze gelijkenis toont echter aan dat de mens op ieder gebied alle mogelijkheden al in zich heeft, en het instrument waarmee hij iets leert, lijkt op een oog dat alleen kan zien als de mens zich met het gehele lichaam afkeert van de duisternis en het licht tegemoet treedt. Zo moet ook de mens zelf tot inkeer komen en zich afwenden van het proces van wording, tot hij in staat is de werkelijkheid van het zijnde te aanschouwen en de allesovertreffende glans daarvan te verdragen. En dat is ook het goede, nietwaar?

- Inderdaad.

- Misschien is het wel een bijzondere gave om de mens tot inkeer te laten komen en om te weten hoe dat zo gemakkelijk en doeltreffend mogelijk kan geschieden. Daarbij hoeft het vermogen om dingen in te zien niet in de mens te worden ingeplant, want dat heeft hij allang. Nee, het gaat erom dat de mens de goede kant op moet kijken.

- Dat lijkt mij ook, zei hij.

 

Uit: Plato – Politeia – 514a–518d

 

Terug